Rechtszaak voor 8 cent

8 cent no cure no pay

Substantieel bedrag te vorderen

           Een opmerkelijke zaak waarin de hoofdsom maar 8 cent bedroeg omdat de debiteur de rekening reeds had voldaan voor het uitbrengen van de dagvaarding. 

Incassobureau vergelijken

Vermakelijke leermomenten

Het is natuurlijk vermakelijke kost om te zien dat een debiteur in het gelijk is gesteld door de rechter, vooral als de uiteindelijke toegewezen som die de debiteur (gedaagde in dit geval) moet voldoen maar 8 cent bedraagt. Natuurlijk is het de vraag waarom een incassobureau, of in dit geval een gerechtsdeurwaarder, op het idee komt om iemand te dagvaarden voor zo'n laag bedrag. Ook al is een en ander langs elkaar gelopen, dan nog kon deze beste man het heldere idee krijgen om op de zitting aan te geven dat het geheel op een misverstand berust en zijn nederige excuses aanbieden. Soms moet je toch echt de hand in eigen boezen steken.

Gelukkig is er ook een leermoment

In deze zaak was het een feit dat de debiteur te laat had betaald waardoor er incassokosten in rekening waren gebracht. Niets aan de hand op het eerste gezicht. De debiteur had echter de incassokosten niet betaald maar wel de rekening van 9 euro die ten grondslag lag aan het hele verhaal. In de wetgeving zelf is niets te vinden over de hoogte die een rekening minimaal moet bedragen voordat er incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Sterker nog, in de wet staat gewoon dat er een bedrag van minimaal 40 euro bovenop mag worden gelegd. 

De rechter komt in dit verhaal tot de conclusie dat er een substantiële vordering dient te zijn voordat er incassokosten ter hoogte van 40 euro in rekening mogen worden gebracht. Het is wel jammer dat de rechter zich niet uitlaat over wat in haar ogen dan een substantieel bedrag dient te zijn. In die zaak was dat misschien niet relevant omdat elk normaal mens weet dat een bedrag van 9 euro geen substantieel bedrag is ten opzichte van 40 euro aan incassokosten. Het is wel relevant voor de zaken die daarna zullen komen, het zou goed zijn om een hint te geven aan welk bedrag dient te worden gedacht, ook al betreft het hier geen uitspraak van de Hoge Raad.

Wat speelt mee?

Vermoedelijk speelt ook mee dat het bedrag van 9 euro (de hoofdsom) al was betaald voordat de dagvaarding was uitgebracht. Daarnaast speelt mee dat de hoofdsom tevens al was voldaan tijdens de behandeling van de rechtszaak. Het kan zijn dat er door de rechter anders was geconcludeerd indien de vordering helemaal niet was voldaan. Zou de rechter ook dan van oordeel zijn geweest dat het hier geen substantieel bedrag betrof waardoor er geen incassokosten van 40 euro bovenop mocht worden gelegd? Immers moet voor ogen blijven dat de kosten van 40 euro niet alleen gebaseerd zijn op de hoofdsom zelf, maar tevens op de kosten die een incassoprocedure met zich meebrengt. Ook moet de vraag worden gesteld of kleine bedragen voortaan niet meer hoeven te worden voldaan door een debiteur.

Wilt u de uitspraak zelf nalezen? U treft hem onderstaan aan:

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6663861 CV EXPL 18-1309
Uitspraakdatum: 6 juni 2018

Vonnis in de zaak van:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MijnDomein Hosting B.V.
gevestigd te Lelystad
eiseres
verder te noemen: MijnDomein
gemachtigde: LAVG B.V. (Groningen)

tegen

[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon

1. Het procesverloop

1.1.

MijnDomein heeft bij dagvaarding van 25 januari 2018 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

MijnDomein heeft hierop schriftelijk gereageerd, haar eis verminderd en een subsidiaire grondslag toegevoegd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd.

2. De vordering

2.1.

MijnDomein vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] primair veroordeelt tot betaling van € 40,08 en subsidiair veroordeling tot betaling van € 15,08, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9,00 vanaf 18 januari 2018 en met de proceskosten.

2.2.

De primaire vordering bestaat uit € 9,00 aan hoofdsom, € 0,08 aan rente berekend tot 18 januari 2018 en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met € 9,00 in verband met de betaling door [gedaagde] op 24 januari 2018. De subsidiaire vordering bestaat uit € 9,00 aan hoofdsom, € 0,08 aan rente berekend tot 18 januari 2018 en € 15,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met € 9,00 in verband met de betaling door [gedaagde] op 24 januari 2018.

2.3.

MijnDomein legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen partijen een overeenkomst bestaat op grond waarvan MijnDomein de website van [gedaagde] ( [website] heeft opgezet dan wel online gehouden. [gedaagde] heeft de factuur van 23 juli 2017 ad € 9,00 ondanks sommatie niet, althans niet binnen de gestelde termijn, voldaan. Subsidiair (voor het geval de veertiendagenbrief niet het bij dagvaarding gestelde effect sorteert) legt zij aan de vordering ten grondslag dat MijnDomein [gedaagde] op 21 augustus 2017 zowel per post als per sms een aanmaning heeft verzonden, waarbij zij [gedaagde] eveneens op de bijkomende incassokosten heeft gewezen.

3. Het verweer

3.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat zij de factuur nooit heeft ontvangen. De bij dagvaarding overgelegde aanmaning van 8 december 2017 heeft zij pas 20 januari 2018 ontvangen. Zij heeft op 24 januari 2018 het bedrag van € 9,00 overgemaakt. MijnDomein heeft die betaling telefonisch bevestigd. Toch ontving zij op 25 januari 2018 de dagvaarding. [gedaagde] betwist daarom de bijkomende kosten verschuldigd te zijn.

4. De beoordeling

4.1.

MijnDomein vindt het opmerkelijk dat [gedaagde] de factuur nooit zou hebben ontvangen en wijst erop dat zij [gedaagde] daarnaast diverse e-mails, sms berichten en brieven heeft gestuurd, zodat [gedaagde] ook hierdoor kennis heeft kunnen nemen van het openstaande bedrag. Ook het incassobureau heeft [gedaagde] aangemaand. Deze berichten zijn allemaal gestuurd naar de bekende adressen (post, e-mail en telefoon). [gedaagde] heeft nooit een wijziging van die adressen doorgegeven, hetgeen wel op haar weg had gelegen ingeval van wijziging van die adressen.

4.2.

MijnDomein acht voorts het verweer van [gedaagde] dat zij de brief van 8 december 2017 (de zogenoemde veertiendagenbrief) pas op 20 januari 2018 zou hebben ontvangen, ongeloofwaardig. [gedaagde] heeft dat verweer wel gevoerd maar niet, althans onvoldoende, gemotiveerd.

4.3.Ingevolge het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, beloopt het minimumbedrag, gebaseerd op slechts één aanmaningsbrief met vermelding daarin van de zogenoemde veertiendagen-termijn, € 40,00. Naar het oordeel van de kantonrechter duidt dit erop dat de wetgever is uitgegaan van een te vorderen bedrag dat - ten opzichte van genoemde € 40,00 - als substantiëel is te beschouwen. De vordering van een hoofdsom van € 9.00 is als zodanig niet te beschouwen. De vordering van incassokosten wordt daarom, wat er ook zij van de hiervoor weergegeven standpunten van MijnDomein, afgewezen.

4.4.

Daarbij komt dat weliswaar aannemelijk is dat de ontvangst van de hoofdsom door MijnDomein het uitbrengen van de dagvaarding heeft gekruist, maar dat brengt tevens mee dat MijnDomein ruim voor het aanbrengen ter rolle van die dagvaarding de gevorderde hoofdsom heeft ontvangen. MijnDomijn heeft, ondanks de ontvangst van de gevorderde hoofdsom, de procedure echter doorgezet louter voor een bedrag van € 0,08 aan rente en de buitengerechtelijke incassokosten. MijnDomein kan weliswaar niet het recht worden ontzegd, een gering bedrag in rechte te vorderen, maar dat laat onverlet dat het voeren van een gerechtelijke procedure, voor de inning van een objectief gezien zeer gering bedrag niet is bedoeld, mede gelet op de belasting van het gerechtelijk systeem. Daarom zal de kantonrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan MijnDomein van € 0,08 aan rente te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9,00 van 18 januari 2018 tot en met 24 januari 2018;

5.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-Smaalen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Vragen naar aanleiding van deze uitspraak?

Heeft u nog vragen naar aanleiding van deze uitspraak? Wilt u liever dat wij eerst naar de hoogte van de vordering kijken voordat u een incassobureau inschakelt?  U kunt altijd contact met ons opnemen met uw vragen over deze uitspraak of over ingebrekestellingen, gratis incasso advies of over onze werkwijze op basis van incasso no cure no pay. Het LBGIB is uw vaste partner voor al uw incassozaken. Bel ons op 085 - 060 58 48

Zoekt u een deurwaarder Den Haag; deurwaarder Amsterdam of een deurwaarder Rotterdam? Ook daarvoor kunt u bij het LBGIB terecht.

1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars (24 stemmen, +/- 5,00 van de 5 sterren)

Loading...

No cure no pay incasso's indienen